Museumhaven Spakenburg - Het Behoud van de Botter

Het Behoud van de Botter

Behoud de botter

In de hoogtijdagen van vissersdorp Spakenburg, we hebben het over 1920, dobberden er maar liefst 209 botters in de haven. Karakteristieke platbodems, gemaakt om de woelige Zuiderzee te bedwingen. Vandaag werkt een stichting met man en macht om de restanten van deze bottervloot te redden van de ondergang.

BU33. Zo heet de tweede en jongste botter die Stichting Behoud Museumhaven Spakenburg in bezit heeft. ‘Gebouwd in 1904, in Huizen,’ vertelt bestuurslid Zacharias van Diermen. ‘Hiervoor was het schip dertig jaar lang van een particulier. Toen deze ernstig ziek werd, dreigde Spakenburg de botter te verliezen. Er waren kapers op de kust. Of nou ja, kópers, van buiten het dorp. Gelukkig kregen we het schip toch in handen, en met steun van het K.F. Hein Fonds en het Prins Bernhard Cultuurfonds konden we het gaan restaureren. De botter was in slechte staat. We voorzagen een ton aan kosten.’ Dat er veel aan moest gebeuren, bleek geen slechte inschatting te zijn. Vlak voordat de restauratie startte, zonk de BU33 als een steen naar de bodem van de haven.

Botter aan lager wal

Zacharias stamt direct af van de bottervissers die eens allesbepalend waren in het dorp. Zijn pa viste en beheerde botters. En wanneer hij maar even vrij had, trok de jonge Zacharias er mee op uit. ‘Varen, de schepen onderhouden, fuiken zetten, noem maar op. Ik vond het prachtig. En dat vind ik nog steeds.’ Door zijn kennis en enthousiasme werd hij direct benaderd toen er in 2017 een stichting werd opgericht om de botters van Spakenburg te beschermen. ‘Met veel aandacht, van restauratie tot gebruik en onderhoud, houden we onze botters, onze museumhaven en onze unieke geschiedenis in leven.’ Dit initiatief was hard nodig. Door de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 en de inpoldering na de Tweede Wereldoorlog, was het grotendeels gedaan met de visserij. In de zestiger en zeventiger jaren kochten vooral studenten botters op. ‘Om er lekker goedkoop mee te recreëren. Na een aantal jaren waren die schepen uitgewoond, en belandden op het botterskerkhof. Of ze werden doorverkocht. De haven uit, weg.’

Twintig ton rond

Terug naar de gezonken BU33. Om in scheepstermen te blijven: er was geen man over boord. ‘Integendeel zelfs’, vertelt Zacharias. ‘Het hele voorval trok veel aandacht van de pers, waarmee de stichting in zeker zin extra wind in de zeilen kreeg.’ De botter werd opgevist en naar Nieuwboer gesleept, de oudste botterwerf van het land. Al snel ging daar fase één van de restauratie van start: de gehele buitenkant vernieuwen. ‘Niet eenvoudig’, verzekert Zacharias. Een botter bestaat uit eikenhout. Twintig ton in totaal. ‘En er zit geen rechte lat bij. Het krommen van het hout gebeurt boven vuur. De eikenhouten delen worden aan één kant natgemaakt, en door de hitte trekken ze dan krom.’ Dit soort werk vormt een belangrijke speerpunt van de stichting: zorgen dat het ambacht bewaard blijft. Een veertigtal vrijwilligers is betrokken bij de restauratie om deze eeuwenoude technieken te leren en door te geven.

Alle moeite waard

Na de buitenkant is het geraamte van de botter aan de beurt. Spanten, liggers en zitters vormen wederom een ambachtelijke uitdaging van formaat. Maar het is alle moeite waard, vindt Zacharias. ‘Een botter is varend erfgoed; een drijvend monument. Met deze authentieke schepen houden we het aangezicht van onze historische haven in stand. En als dit exemplaar in ere is hersteld, is hij niet alleen mooi om naar te kijken. We gaan er rondvaarten mee houden en doen er alles aan om de kennis te bewaren. Vooral voor de jeugd is dit belangrijk, voegt Zacharias toe. ‘We willen toch dat bottervirus op ze overbrengen.’